Nieuws
Alle nieuwsitems voor primair onderwijs
Maak kennis met de 7 didactische principes voor taalkrachtig onderwijs
Ken jij de 7 didactische principes voor taalkrachtig onderwijs al? In dit artikel staan ze een voor een uitgelegd en vind je praktische voorbeelden om meteen aan de slag te gaan in jouw klas. We geven suggesties voor de onderbouw en voor de bovenbouw. Het nieuwe boek Volop Taal (M. Schiepers et al, 2025), geschreven door experts uit Vlaanderen, is wat ons betreft een must-read.
Wat zijn de 7 didactische principes?
Nieuwkomers leren taal niet door losse woordjes te oefenen of werkbladen te maken, maar door taal te gebruiken in betekenisvolle situaties. In Volop Taal (M. Schiepers, et al, 2025) vormen zeven didactische principes de ruggengraat van het boek.
Taalkrachtig taalonderwijs:
- stimuleert een positief-talige grondhouding
- is contextrijk
- is functioneel
- is (inter)actief
- geeft ondersteuning
- zet in op impliciet én expliciet leren
- biedt kansen tot reflectie.
De 7 didactische principes uitgelegd per bouw
-
1. Positief-talige grondhouding
Taal leren is niet alleen een cognitief proces, maar ook een motivationeel proces: leerlingen moeten taal niet alleen kunnen, maar ook durven en willen gebruiken (Schiepers et al., 2025). In een uitdagende opdracht nodig je leerlingen uit om al hun hulpbronnen in te zetten: van persoonlijke ervaringen tot het gebruik van hun thuistalen.
- Onderbouw:
Aan de hand van een tekening vertelt een kleuter over het weekend. De kleuter gebruikt zowel Nederlandse als Arabische woorden. Jij herformuleert in correct Nederlands en breidt uit: “Je was bij oma op bezoek. Heb je baba ghanoush gegeten?” - Bovenbouw:
Een leerling vertelt dat hij heerlijke baba ghanoush heeft gegeten. De leerlingen krijgen de opdracht om interviewvragen te bedenken voor de kok. In duo’s wisselen ze eerst ervaringen uit en formuleren ze vragen in hun thuistaal. Vervolgens komt de groep samen en stelt een gezamenlijke vragenlijst in het Nederlands op in een logische volgorde.
- Onderbouw:
-
2. Contextrijk onderwijs
Taal krijgt pas écht betekenis als je die aanbiedt in een context die voor leerlingen herkenbaar en relevant is. Je activeert voorkennis (ook in de thuistaal), stelt een prikkelende vraag en verruimt de wereldkennis van leerlingen via rijk en begrijpelijk taalaanbod.
- Onderbouw:
Met een boodschappenlijst en een foto van het gerecht baba ghanoush doen kleuters boodschappen in een winkelhoek om het gerecht te kunnen maken. Jij ondertitelt het spel: je benoemt wat je ziet en wat jij of de kinderen doen: “Jij pakt de aubergine. Die is groot. Nu leg je hem in de mand.” - Bovenbouw:
Je legt de leerlingen een probleem voor: “Stel, je bent kok in een restaurant. Er zitten tien gasten in je restaurant, maar je ober is ineens ziek. Wat zou je doen?” Leerlingen bespreken hun ideeën in duo’s en verwoorden hun oplossingen mondeling, eventueel eerst in hun thuistaal en daarna in het Nederlands.
- Onderbouw:
-
3. Functioneel taalgebruik
Wanneer lesactiviteiten functioneel zijn, neemt de motivatie en betrokkenheid van leerlingen toe. Leerlingen gebruiken taal om iets te doen, te regelen of te bereiken. Taal is geen doel op zich, maar een middel.
- Onderbouw:
Kleuters maken samen een verkeersplein op het schoolplein. Ze tekenen een rotonde, maken verkeersborden en bespreken waar de fietsen kunnen staan. Tijdens het overleggen gebruiken ze taal op hun eigen niveau: “Hier fietsen.” – “Nee, daar de kar.” Jij ondersteunt door te verwoorden en uit te breiden: “De fietsen staan in dit vak, de karren bij het Parkeren-bord.” - Bovenbouw:
Leerlingen maken samen een uitnodiging voor ouders voor een voorstelling. Ze krijgen van jou een voorbeeldformat en een aantal steunzinnen. In groepjes bepalen ze wat in hun uitnodiging moet staan (wie, wat, waar, wanneer) en formuleren ze de tekst. De uitnodiging wordt uiteindelijk echt gebruikt en verstuurd.
- Onderbouw:
-
4. (Inter)actief
Leerlingen leren taal sneller en dieper wanneer zij een rijk taalaanbod krijgen, veel oefenkansen hebben in gesprek met volwassenen én andere leerlingen (taalruimte) en feedback ontvangen op hun taalgebruik (taalfeedback). Je organiseert daarom activiteiten met veel leerkracht–leerling en leerling–leerling interactie, waarin leerlingen actief taal gebruiken.
- Onderbouw:
Speel samen een prentenboek na. Verdeel de rollen en laat de kleuters het verhaal uitspelen. Jij leest voor en de kleuters zeggen zinnen na of vullen ze zelf aan. Bekende zinnen nodigen uit tot meedoen, zoals: “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie …..?” Je reageert op wat leerlingen zeggen en stimuleert correct en rijk taalgebruik. - Bovenbouw:
In de groep is de opbouw van sprookjes besproken: een begin (“Er was eens…”), een middenstuk en een slot (“… en ze leefden nog lang en gelukkig”). De leerkracht vertelt aan de hand van een aantal platen het begin van een sprookje. Leerlingen bedenken in tweetallen het middenstuk en het slot, eventueel eerst in hun thuistaal. Ze tekenen hun verhaal als strip en lezen dit vervolgens voor aan de groep.
- Onderbouw:
-
5. Ondersteuning bieden
Ondersteuning is een hefboom om uitdagende doelen te bereiken met élke leerling (Schiepers et al., 2025). Je ondersteunt de hele groep én specifieke leerlingen met gerichte taalsteun. Dat kan door taalsteun, bijvoorbeeld visuele en interactieve ondersteuning, door voor te doen, door handelingen stap voor stap te verwoorden en door gerichte feedback te geven. Waar mogelijk bouw je deze ondersteuning geleidelijk weer af, zodat leerlingen steeds zelfstandiger worden.
- Onderbouw:
Je gebruikt pictogrammen, herhaling en vaste zinnen om dagelijkse routines in te slijpen, zoals: “Pak je jas en je tas. Daarna ga je zitten in de kring.” Door deze zinnen steeds mee te zeggen, gaan kleuters ze zelf gebruiken. - Bovenbouw:
Voorafgaand aan het lezen van een tekst over het ontkiemen van bonen bekijken de leerlingen een kort filmpje, eventueel in de thuistaal. Zo activeer je voorkennis en begrijpen leerlingen de inhoud van de tekst in het Nederlands beter.
- Onderbouw:
-
6. Impliciet én expliciet leren
Taal leer je niet alleen al doende. Juist bij schooltaal en complexere taaltaken is expliciete ondersteuning cruciaal. Terwijl leerlingen werken aan contextrijke en functionele opdrachten, richt jij je op specifieke talige aspecten zoals woordenschat, spelling en tekststructuren. Dat doe je op geplande momenten én tussendoor, zodat het betekenisvol is.
- Onderbouw:
In de zandbak graven kleuters kuilen. Tijdens het spelen benoem je woorden als diep, ondiep, groot en klein. Later, bij het voorlezen van het prentenboek Plons, herhaal en versterk je deze begrippen: “Dieren groot en klein plonsen in het water. De boer springt ook in het ondiepe water.” - Bovenbouw:
Je legt kort uit wat een verwijswoord is en laat dit direct zien in de tekst die de leerlingen lezen. Tijdens het lezen wijs je verwijswoorden aan en bespreek je waar ze naar verwijzen. In een aparte, geplande les ga je dieper in op verschillende soorten verwijswoorden en oefenen leerlingen hier gerichter mee.
- Onderbouw:
-
7. Reflectie op taal
Reflectie op taal is geen extraatje, maar een hefboom om leerlingen te laten uitgroeien tot zelfstandige en taalcompetente burgers (Schiepers et al., 2025). Reflecteren kan voor, tijdens en na een activiteit. Het hoeft niet groots of tijdrovend te zijn: korte, gerichte vragen zijn vaak al krachtig genoeg.
- Onderbouw:
Tijdens het buitenspelen wil een kleuter agent zijn op het verkeersplein. De leerkracht vraagt: “Wat doe je als agent?” en “Wat zeg je als iemand moet stoppen?” Zo denkt de kleuter na over taal die past bij de rol en de situatie. - Bovenbouw:
Na het lezen van een tekst vraagt de leerkracht: “Wat hielp jou om deze tekst te begrijpen?” Leerlingen benoemen strategieën, zoals het bekijken van de titel en afbeeldingen, het stellen van vragen of het opzoeken van moeilijke woorden.
- Onderbouw:
Taalkrachtig onderwijs
Je hebt waarschijnlijk gemerkt dat de zeven didactische principes niet los van elkaar staan, maar sterk samenhangen. In Volop Taal (Schiepers et al., 2025) worden deze principes visueel weergegeven in een tangram. Samen vormen ze een kloppende puzzel, die overigens ook op verschillende manieren te leggen is. Bijvoorbeeld als een raket: elk principe draagt bij aan de lancering. Daag jij jezelf en je leerlingen uit om als een raket taal te ontwikkelen?
LOWAN-ontwikkel- en leerlijnen
Op de kaarten van de LOWAN-ontwikkel- en leerlijnen vind je loepjes met inkijkjes: concrete praktijkvoorbeelden die laten zien hoe je aan de doelen werkt. Ze helpen je om de didactische principes te vertalen naar jouw dagelijkse onderwijspraktijk. Laat je inspireren en kijk met een frisse blik naar je taalaanbod.
-
Geraadpleegde bronnenlijst
M. Schiepers et al. (2025) Schiepers, M., Slabbaert, S., Versteden, P., Callebaut, I., Hebbrecht, J., Moonen, E., Schutjes, E., Timmermans, S., Truyts, C., T’Sas, J., Van Bergen, T., Vanherf, A., Van Houtven, T., & Vansteelandt, I. (2025). Volop taal: Didactiek Nederlands voor de lagere school. Owl Press
